ORV en Hypotheek

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin

Uit onderzoek van de AFM blijkt dat in 2009 in 60% van de in dat jaar afgesloten hypothecaire kredieten een overlijdensriscoverzekering werd afgesloten. Schattingen zijn dat op dit moment in minder dan 30% van de nieuwe hypothecaire kredieten nog een ORV wordt afgesloten. Kort vatten wij de eisen die de WFT op dit gebied stelt nog eens samen.

 Eisen van artikel 4:23 Wft vertaald
Op een advies inzake een hypothecair krediet is artikel 4:23 Wft van toepassing. Via leidraden en boeteopleggingen heeft de AFM in de loop der jaren de interpretatie van dit wetsartikel verder invulling gegeven. Hieruit is de volgende lijn te concluderen:

  1. De adviseur mag het hypothecair krediet slechts adviseren indien hij de overtuiging heeft dat de consument ook bij calamiteiten zoals overlijden, de lasten van het hypothecair krediet kan blijven dragen;
  2. De adviseur dient in het verlengde van punt 1 een voor de consument duidelijk advies te geven om wel of geen overlijdensrisicoverzekering af te sluiten;
  3. Indien de consument besluit geen overlijdensrisicoverzekering af te sluiten in de situatie waarin de adviseur dit wel wenselijk acht, dan dient de adviseur dit onmiskenbaar duidelijk aan de consument met onderbouwing van argumenten kenbaar te maken. De adviseur zal moeten kunnen aantonen de consument hierop geattendeerd te hebben. Dit bewijs moet gedurende een periode van 5 jaar na het gegeven advies reproduceerbaar te zijn;
  4. Indien de consument besluit geen overlijdensrisicoverzekering af te sluiten in de situatie waarin de adviseur dit wel wenselijk acht, maar de adviseur dit niet kenbaar maakt aan de consument of dit nadien niet kan bewijzen te hebben gedaan, dan geldt de aanname dat de consument heeft gehandeld conform het advies van de adviseur. Dat betekent dus dat met terugwerkende kracht de adviseur kan worden verweten de klant ten onrechte te hebben afgeraden een overlijdensrisicoverzekering af te sluiten.

Wijzen op gevolgen gaat verder dan huis verkopen
Het is naar het oordeel van Bureau DFO onvoldoende om de consument alleen te wijzen op het feit dat bij het overlijden van een van de partners, de langstlevende partner de woonlasten niet langer zal kunnen betalen en daarom het afsluiten van een overlijdensrisicoverzekering belangrijk is.

Een goed adviseur zal de consument daarbij aanvullend informeren dat bij gedwongen verkoop van de woning het achterblijvende gezin grote problemen zal kunnen ondervinden bij het vinden van alternatieve huisvesting. Immers een hypotheek voor de aankoop van een andere woning zal vaak niet mogelijk zijn, voor een sociale huurwoning zijn er lange wachtlijsten en in de vrije huursector zijn de huurprijzen vaak hoger dan de lasten van een hypotheek.

De kosten van een overlijdensrisicoverzekering zijn in de meeste situaties zeer beperkt. Gelet op enerzijds de beperkte premie en anderzijds de grote impact dat een overlijden van een van de kostwinners kan hebben op het achterblijvende gezin, zal op de financieel adviseur in een civiele procedure de bewijsopdracht komen te liggen om aan te tonen dat deze met voldoende nadruk de consument heeft gewezen op het belang van een overlijdensrisicoverzekering.

Voor zover u in de afgelopen jaren betrokken bent geweest bij het adviseren van hypothecair krediet waarbij consumenten besloten hebben geen overlijdensrisicoverzekering af te sluiten, kan overwogen worden de consumenten schriftelijk te benaderen en hen in overweging te geven alsnog te onderzoeken of een ORV voor hen zinvol is.

Reageren consumenten niet op deze brief dan kan dit dienen als onderbouwing om aan te tonen dat de adviseur zich wel degelijk heeft gedragen conform hetgeen van een redelijk handelend en redelijk bekwaam adviseur mag worden verwacht.

Heeft u interesse in een model voor een dergelijke brief dan kunt u deze zonder kosten hier opvragen

Terug naar de Nieuwsbrief Actualiteiten

Deel deze nieuwsbrief via sociale media

Share on facebook
Share on google
Share on twitter
Share on linkedin