Eerste boetes schending AVG zijn een feit

Sinds 25 mei 2018 is in Nederland de privacywetgeving geregeld in de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) geregeld. De AVG heeft onder meer gezorgd voor uitbreiding van privacy-rechten van burgers door aan bedrijven en organisaties verplichtingen ten aanzien van de beveiliging van hun systemen op te leggen. Als bedrijven en organisaties niet voldoen aan die beveiligingseisen dan kan de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) een boete opleggen. Daarnaast kan er op grond van de AVG sprake zijn van aansprakelijkheid van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker als burgers schade oplopen als gevolg van de onvoldoende beveiliging (een datalek) en ontstaat er recht op een recht op schadevergoeding ontstaan. Dit geregeld in art. 82 lid1 van de AVG : Eenieder die materiële of immateriële schade heeft geleden ten gevolge van een inbreuk op deze verordening, heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker schadevergoeding te ontvangen voor de geleden schade.

Ongeveer aan jaar na invoering van de AVG heeft de AP de eerste boete opgelegd en heeft de rechter voor de eerste keer het recht op schadevergoeding toegekend.

Eerste boete
Op 18 juni 2019 werd de eerste forste boete van 460.000 euro opgelegd voor onvoldoende beveiliging van de systemen aan het Haagse HagaZiekenhuis. De AP stelde een onderzoek in toen bleek dat tientallen medewerkers van het ziekenhuis onnodig het medische dossier van een bekende Nederlander hadden ingezien. Uit het onderzoek bleek dat het ziekenhuis de interne beveiliging van patiëntendossiers niet op orde had.  Om het ziekenhuis te dwingen de beveiliging van patiëntendossiers te verbeteren legde de AP het ziekenhuis tegelijkertijd een last onder dwangsom op. Als het ziekenhuis de beveiliging niet voor 2 oktober 2019 verbeterd had, moest het ziekenhuis elke twee weken 100.000 euro betalen, met een maximum van 300.000 euro. Het HagaZiekenhuis heeft inmiddels maatregelen genomen.

Het besluit is terug te vinden:  https://autoriteitpersoonsgegevens.nl/sites/default/files/atoms/files/besluit_haga_-_ter_openbaarmaking.pdf

Recht op schadevergoeding voor de eerste keer toegekend
Op 28 mei 2019 heeft de Rechtbank Overijssel voor de eerste keer het recht op een schadevergoeding op grond van de AVG toegekend aan een man wiens persoonsgegevens door de gemeente Deventer zonder toestemming van de man doorgegeven zijn aan meerdere andere gemeenten. De rechtbank oordeelde dat de man in zijn persoon was aangetast in verband met het verlies van controle over zijn persoonsgegevens en dat er door de verspreiding van de gegevens van de man sprake was van schending van de privacy en achtte de gemeente Deventer daarvoor aansprakelijk. De man kreeg volgens de rechter op grond van de AVG in samenhang met art. 6:106 BW (schadevergoedingsrecht) het recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. De uiteindelijke schadevergoeding werd vastgesteld op 500 euro.

De volledige uitspraak: ECLI:NL:RBOVE:2019:1827  is terug te vinden op:  https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBOVE:2019:1827

Conclusie:
Misschien was de verwachting dat de gevolgen van de invoering van de AVG ‘niet zo’n vaart niet zouden lopen’ maar de eerste opgelegde boete en de toekenning van de schadevergoedingsplicht door de rechter maken duidelijk wat de gevolgen van het niet nakomen van de verplichtingen in de AVG kunnen zijn. De hoogte van zowel de boetes als de hoogte van de schadevergoedingsplicht zijn afhankelijk van de specifieke omstandigheden.

Bureau DFO BV organiseert met regelmaat in samenwerking met Anita Hol-Bubeck opleidingen op het gebied van schadeverzekeringen. Binnenkort vindt de workshop Cyberrisico plaats. De bovengenoemde onderwerpen komen in combinatie met de verzekeringsmogelijkheden aan de orde.

 

>>Terug naar de nieuwsbrief Actueel

 

Transitievergoeding voor langdurig zieke werknemers

 

 

 

Op 1 april 2020 treedt de wet compensatieregeling transitievergoeding (hierna: “compensatieregeling”) voor langdurig zieke werknemers in werking. Hoewel dat nog een aantal maanden duurt, is het toch goed nu al te weten wat deze wet inhoudt en eventueel al actie te ondernemen.

Als een werknemer 104 weken of langer wegens ziekte niet in staat is geweest om de afgesproken werkzaamheden te verrichten eindigt de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever tijdens ziekte en vervalt ook het opzegverbod dat geldt tijdens ziekte. Als niet aannemelijk is dat de werknemer binnen 26 weken de afgesproken werkzaamheden kan hervatten of aangepaste werkzaamheden kan verrichten bij zijn eigen werkgever, kan de werkgever de arbeidsovereenkomst opzeggen. Daarvoor is wel toestemming van UWV of instemming van de werknemer voor nodig. In de meeste gevallen sluit de werkgever dan met de werknemer een beëindigingsovereenkomst waarin wordt afgesproken dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden wordt beëindigd.

Als een werkgever het initiatief neemt om een arbeidsovereenkomst te beëindigen en de werknemer geen ernstig verwijt valt te maken van die wens tot beëindiging, heeft de werknemer recht op de transitievergoeding. Dit is geregeld in artikel 7:673 BW. Dat geldt ook als een werkgever de arbeidsovereenkomst wil beëindigen van een werknemer die langer dan 104 weken arbeidsongeschikt is.

Hoewel de arbeidsovereenkomst van een langdurig arbeidsongeschikte werknemer dus mag worden beëindigd, doen veel werkgevers dat in praktijk niet omdat dan de transitievergoeding aan de werknemer moet worden betaald. De werkgever betaalt dus eerst twee jaar lang het loon door en moet dan nog een vergoeding betalen. Om die kosten te voorkomen worden arbeidsovereenkomsten van langdurig zieke werknemers meestal ‘slapend’ gehouden. De arbeidsovereenkomst wordt dan in feite een lege huls. De werknemer kan niet meer werken, de werkgever hoeft geen loon meer te betalen.

De regering vindt dit soort slapende dienstverbanden onwenselijk.  Om werkgevers tegemoet te komen in de kosten die een zieke werknemer oplevert, is de compensatieregeling tot stand gekomen. Deze wet regelt dat als een werkgever de arbeidsovereenkomst beëindigt met een werknemer die langer dan 104 weken arbeidsongeschikt is, of als een arbeidsovereenkomst met een zieke werknemer van rechtswege eindigt en de werkgever aan de werknemer de transitievergoeding betaalt, UWV aan de werkgever een compensatie betaalt. Deze compensatie is gelijk aan maximaal het bedrag van de   transitievergoeding die verschuldigd is op de eerste dag nadat de werknemer 104 weken arbeidsongeschikt is. Als het loon dat tijdens de ziekteperiode door de werkgever is doorbetaald lager is dan de transitievergoeding, wordt maximaal dat loonbedrag gecompenseerd.

Omdat de compensatieregeling pas in werking treedt op 1 april 2020 kan een verzoek om compensatie pas na die datum worden ingediend. De regeling geldt echter met terugwerkende kracht voor alle gevallen waarin een werkgever de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd van een werknemer die na 1 juli 2015 104 weken arbeidsongeschikt is geworden. De arbeidsovereenkomst moet dan wel om die reden zijn beëindigd en de transitievergoeding moet daadwerkelijk zijn betaald. Het maakt niet uit of de arbeidsovereenkomst is geëindigd met behulp van een beëindigingsovereenkomst of door opzegging na toestemming van het UWV. Het deel van de transitievergoeding dat u betaalt aan de werknemer dat betrekking heeft op de periode waarin het dienstverband is doorgelopen nadat de 104 weken grens is bereikt, wordt niet gecompenseerd. De aanvraag voor compensatie van transitievergoedingen die zijn betaald voor 1 april 2020 moet worden ingediend vóór 1 oktober 2020.

U moet het volgende aantonen:

  • dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst;
  • wat de duur van de arbeidsovereenkomst was;
  • dat de werknemer ziek uit dienst is gegaan;
  • dat er een transitievergoeding is betaald;
  • hoe de transitievergoeding is berekend;
  • wat de kosten van de loondoorbetaling tijdens ziekte waren.

 

>>Terug naar de nieuwsbrief Actueel

Wijziging INCOTERMS per 1 januari 2020

Elke tien jaar wordt door de International Chamber of Commerce onderzocht of en zo ja waar, de incoterms aanpassingen behoeven aan de actuele situatie en wensen in het internationale handelsverkeer. Ook per 1 januari 2020 zijn er weer wat veranderingen aangebracht.

Onderstaand informeren wij u over de belangrijkste wijzigingen.

  • De dekkingsgraad in verzekering onder CIF 2020 en CIP 2020 wordt aangepast.
    Onder de incoterms 2010 werd de verkoper verplicht om bij beiden, op zijn kosten, een transportgoederenverzekering af te sluiten ten behoeve van de koper van de goederen. Deze verzekering diende de minimale dekking, vergelijkbaar met de ICC-C clauses, te omvatten. Een dekking op basis van de ICC-C clauses verzekert slechts een aantal expliciet opgesomde evenementen die zich tijdens de reis kunnen voordoen.

De verplichting deze minimale dekking af te sluiten blijft in de incoterms 2020 overeind voor CIF zendingen, doch voor CIP zendingen wordt de verkoper verplicht om, ten behoeve van de koper, een verzekeringsdekking af te sluiten welke vergelijkbaar is met dekking op grond van de ICC-A Clauses. Laatstgenoemde behelzen een “all-risk” dekking.

Ter toelichting: de CIP incoterm kan voor alle modaliteiten worden gebruikt en legt in beginsel de kosten ( voor zowel vervoer als verzekering ) voor het volledige vervoerstraject bij de verkoper neer. De CIF incoterm is bedoeld voor maritiem vervoer en legt in beginsel de kosten (voor zowel vervoer als verzekering) voor de zeereis bij de verkoper neer.

  • DAT 2010 verandert naar DPU 2020
    DAT 2010 (Delivered at Terminal) beschreef het moment van risico-overdracht en levering als het moment waarop de goederen waren gelost uit/van het vervoermiddel, op een afgesproken terminal. Vanaf 1 januari 2020 biedt de incoterm DPU 2020 (Delivered at Place Unloaded) partijen de mogelijkheid het moment van risico-overdracht en levering te bepalen op een zelf te kiezen locatie, gelost uit/van het vervoermiddel. De locatie is dus niet meer beperkt tot een terminal en het staat partijen vrij deze locatie samen te bepalen.

Goed begrip van, alsmede het correct hanteren van de overeengekomen incoterm, is van groot belang voor een vlot verkeer van goederen en het op sluitende wijze verzekeren van de risico’s tijdens transport.

Voor een volledig overzicht van de geldende incoterms alsmede uitleg over de gevolgen van de incoterms in de dagelijkse handels- en verzekeringspraktijk verwijzen wij u graag naar de workshops die hierover met regelmaat in samenwerking tussen InTo Transport en Bureau DFO B.V. worden gegeven.

Workshop Transportrisico’s in 2020

De eerstvolgende workshop Transportrisico’s in 2020 zal plaatsvinden op Woensdag 18 maart 2020 , 09.30 – 15:30 uur in Hoevelaken. >> meer informatie over de workshop

 

 

 

 

>>Terug naar de nieuwsbrief Actueel

Wet herziening Partnerallimentatie

 

 

Op 21 mei jl. is het wetsvoorstel herziening partneralimentatie aangenomen door de Eerste Kamer. De nieuwe wet zal op 1 januari 2020 in werking treden. Hierdoor wordt de maximale duur van nieuwe alimentatieverplichting in veel gevallen aanzienlijk beperkt. Zoals recent al aangekondigd op Prinsjesdag  treden op 1 januari 2020 fiscale maatregelen in werking die van invloed zijn op de fiscale behandeling van partneralimentatie. Beide wijzigingen hebben grote invloed op de scheidingsadviespraktijk. In dit artikel zetten we de wijzigingen en de gevolgen voor de adviespraktijk uiteen.

Beperking wettelijke duur alimentatieplicht
Met ingang van 1 januari 2020 zal de maximale alimentatieduur worden ingekort. De lange alimentatieduur wordt door veel alimentatieplichtigen als onrechtvaardig ervaren en is een bron van conflicten. Bovendien remt het alimentatiegerechtigden, veelal vrouwen, in hun economische zelfstandigheid. Door de alimentatieduur te verkorten hoopt de overheid dat alimentatiegerechtigden sneller weer financieel zelfstandig op eigen benen staan en dat het aantal alimentatieprocedures aanzienlijk afneemt.

De wettelijke alimentatieplicht bedraagt op dit moment maximaal 12 jaar.[1] Alleen als het huwelijk[2] korter dan 5 jaar heeft geduurd en er geen kinderen uit het huwelijk zijn geboren, dan is de maximale alimentatieduur gelijk aan de duur van het huwelijk.[3]

Volgens de nieuwe wet duurt een verplichting tot het betalen van partneralimentatie maximaal de helft van de duur van het huwelijk met een maximum van 5 jaar. Hierop gelden een aantal uitzonderingen:

  1. Als het huwelijk langer dan 15 jaren heeft geduurd en de alimentatiegerechtigde binnen 10 jaar de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt, dan eindigt de partneralimentatie op het moment dat de alimentatiegerechtigde de AOW leeftijd bereikt.
  2. Als het huwelijk langer dan 15 jaren heeft geduurd en de alimentatiegerechtigde is geboren vóór of op 1 januari 1970, dan eindigt de partneralimentatie na 10 jaren.
  3. Als er kinderen uit het huwelijk zijn geboren dan eindigt de alimentatieverplichting niet eerder dan op het moment dat het jongste kind 12 jaar wordt.

Het moment van indiening van het verzoekschrift is bepalend voor de vaststelling van de alimentatieduur. Bij samenloop van de hoofdregel en een of meerdere uitzonderingen, geldt de langste termijn. Het gaat steeds om een maximale termijn. In onderling overleg of bij rechterlijke beschikking kan een andere duur worden vastgesteld. In schrijnende gevallen kan door de rechtbank de termijn worden verlengd. Gedacht kan worden aan de situatie dat een alimentatiegerechtigde zorg draagt voor een ernstig ziek of gehandicapt kind.

De nieuwe regels gaan alleen gelden voor nieuwe gevallen.[4] Als het verzoekschrift dit jaar nog is ingediend of er vóór 1 januari 2020 een onderhoudsbijdrage is afgesproken of vastgesteld, blijven de huidige maximale termijnen gelden. Dit geldt ook als na 1 januari 2020 om een herziening van een eerder vastgestelde onderhoudsbijdrage wordt verzocht. In alle andere gevallen gaan de nieuwe termijnen gelden. Overigens is het niet duidelijk of de huidige wetgeving ook van toepassing is als het verzoekschrift nog dit jaar wordt ingediend maar daarin niet om partneralimentatie is verzocht en deze ook niet overeen is gekomen.[5] Dit zal de aankomende jaren in de jurisprudentie moeten uitkristalliseren.

Voor de beroepspraktijk is het van belang cliënten goed te informeren over de op handen zijnde regelgeving met betrekking tot de wettelijke alimentatieduur. Cliënten kunnen dan bewuste afspraken maken. Zowel onder het huidige recht als onder het nieuwe recht kunnen afspraken worden gemaakt die afwijken van de wettelijke regels omtrent de duur. Cliënten kunnen derhalve vooruitlopend op de nieuwe wetgeving wel al aansluiten bij de nieuwe regels. Pas als cliënten er samen niet uitkomen, dan gaat de rechtbank de termijn vaststellen. Het moment waarop het verzoekschrift wordt ingediend, is dan bepalend.

 Fiscale maatregelen (versobering aftrekposten)
Voor alimentatieplichtigen met een belastbaar inkomen in de hoogste tariefschrijf wordt met ingang van 1 januari 2020 de fiscale aftrek van partneralimentatie verlaagd.[6] Tot op heden werd de aftrek genoten tegen het voor de alimentatieplichtige geldende tarief in de hoogste schrijf (2019: 51,95%). In de komende jaren zal het maximale aftrektarief stapsgewijs worden teruggebracht naar 46% in 2020 en uiteindelijk naar 37,10% in 2023. In de tussenliggende jaren wordt de aftrek steeds met 3% verlaagd.

De fiscale maatregel is vormgegeven als een tariefmaatregel. Dat wil zeggen dat de correctie van de aftrek niet van invloed is op het verzamelinkomen en derhalve geen gevolgen heeft voor heffingskortingen of toeslagen.

De verlaging van de fiscale aftrek zal niet alleen gevolgen hebben voor de fiscale teruggaaf in verband met reguliere betalingen van partneralimentatie, maar tevens op  het afkopen van (een deel van) van de alimentatieverplichting alsook op het bijstandsverhaal ingevolge de Participatiewet.

Alimentatieplichtigen die worden geraakt door de fiscale maatregel, zullen dit als een goede reden zien om de onderhoudsverplichting te laten verlagen. Door een lagere teruggaaf in de inkomstenbelasting, wordt de draagkracht immers verlaagd is de redenatie.[7] De fiscale maatregel ten aanzien van de aftrekbeperking gaat echter gepaard met andere fiscale maatregelen. Zo worden de tarieven in de inkomstenbelasting verlaagd de komende jaren. Tevens worden de algemene heffingskorting en de arbeidskorting verhoogd. De fiscale maatregelen zullen in onderlinge samenhang dienen te worden bekeken om te bepalen of er een effect is in de draagkracht van de alimentatieplichtige. Alleen in die situatie heeft het verzoek tot het wijzigen van een bestaande verplichting tot partneralimentatie, kans van slagen.

Voor de scheidingsadviespraktijk zult u de komende periode regelmatig geconfronteerd worden met de vraag of de aftrekbeperking aanleiding geeft voor het verlagen van reeds lopende onderhoudsverplichtingen. Cliënten dienen daarbij een goed inzicht te krijgen in de financiële gevolgen van alle voor hen relevante fiscale maatregelen. Onnodige procedures kunnen hiermee worden voorkomen. In het geval van nog overeen te komen onderhoudsverplichtingen, kan voor cliënten maatwerk worden geleverd door in de berekeningen en de te maken afspraken rekening te houden met de fiscale wijzigingen in de komende jaren. Cliënten kunnen dan afspraken maken die passen bij hun persoonlijke situatie.

Verdieping
Het moge duidelijk zijn dat de Wet herziening partneralimentatie en de fiscale maatregelen vanaf 2020 grote gevolgen hebben voor de scheidingspraktijk. Daarom organiseert de ScheidingsDeskudige bijeenkomsten door het land om u bij te praten en u verdieping te geven omtrent dit thema.

Wilt u regelmatig op de hoogte gehouden worden over het onderwerp Echtscheiding en nieuwe opleidingsdata in 2020? Meld u dan aan voor de gratis nieuwsbrief Echtscheiding.

[1] Art. 1:157 lid 4 BW

[2] Dit geldt tevens voor het geregistreerde partnerschap

[3] Art. 1:157 lid 6 BW

[4] Overgangsrecht artikel V

[5] Zie het artikel van mr. A.N. Labohm, EB 2019/81

[6] Art. 2.10 Wet IB 2001 (nieuw)

[7] Vaak is de draagkracht de beperkende factor in het vaststellen van de onderhoudsverplichting.

 

>>Terug naar de nieuwsbrief Actueel

BTW Heffing en overdracht van een onderneming

 

 

 

 

Regelmatig ontvangen wij een vraag of over de verkoopprijs van een assurantieportefeuille/ assurantieonderneming BTW in rekening moet worden gebracht. Hieronder zetten wij uiteen dat BTW-heffing bij de overdracht van een assurantieportefeuille/ assurantieonderneming niet aan de orde is.

De hoofdregel in de Wet Omzetbelasting 1968 bepaalt dat, wanneer goederen worden geleverd of diensten worden verricht, degene die de goederen levert dan wel degene die de dienst verricht verplicht is om omzetbelasting (BTW) in rekening te brengen over het te factureren bedrag. Het tarief dat thans in Nederland wordt gehanteerd is in de regel 21%. Voor onder andere eerste levensbehoeften geldt een tarief van 9% en voor sommige leveringen en diensten geldt een 0%-tarief.

Niet alle leveringen en diensten zijn onderworpen aan BTW-heffing. Voor bepaalde leveringen en diensten is een vrijstelling in de wet opgenomen. Vrijstellingen gelden bijvoorbeeld voor de gezondheidszorg, voor het onderwijs maar ook voor sommige financiële diensten, zoals advisering en bemiddeling met betrekking tot verzekeringen.

Op grond van hoofdregel in de Wet Omzetbelasting 1968 zou bij de overdracht van een onderneming BTW in rekening moeten worden gebracht. In veel sectoren zou dat niet tot problemen leiden omdat de kopende partij deze BTW weer in aftrek kan brengen en op die manier terug krijgt. Wel moet de kopende partij de BTW voorfinancieren.

Voor financiële dienstverleners, die op grond van een vrijstelling geen BTW over hun diensten in rekening hoeven te brengen maar ook geen aftrek van in rekening gebrachte BTW genieten, zou BTW-heffing in het geval van overdracht van de onderneming  wel een probleem zijn. Immers, omdat de BTW niet in aftrek kan worden gebracht zou de transactie voor een koper dan 21% duurder worden.

Om te voorkomen dat bij het overnemen van een onderneming de koper de BTW moet (voor)financieren is in artikel 37d van de Wet op de omzetbelasting 1968 een regeling ontworpen die BTW-heffing in die situaties voorkomt. Deze regeling is geen vrijstelling maar een faciliteit waarbij ervan wordt uitgegaan dat de koper in de plaats treedt van de verkoper. Er vindt dan geen levering plaats en ook geen BTW-heffing, mits aan de voorwaarden wordt voldaan. De belangrijkste voorwaarde is dat het moet gaan om een (gedeelte van een) onderneming dat als zelfstandige activiteit kan worden aangemerkt en ook door de koper zal worden voortzet. De aard en de omvang van hetgeen wordt overgedragen speelt in dat verband een rol.

Wilt u hier of over andere aspecten van de overdracht van een onderneming meer weten? Neem dan contact op met mr. J.W.J. (Jan) Adriaanse.

ja@habv.nl of 0645046640

Bent u benieuwd naar de nieuwe data van de Bijeenkomsten waardering van assurantieportefeuilles in 2020? Geef uw interesse door via avanekeren@dfobv.nl.

 

 

>>Terug naar de nieuwsbrief Actueel